artikel

6 misverstanden over de nieuwe cao

Personeel 691

Over de nieuwe horeca-cao van KHN en vakbond CNV is opvallend veel tumult. Volgens de een is het een enorme achteruitgang, volgens de ander gaat iedereen er vanaf 1 januari op vooruit. Wat klopt er van die beweringen? Snackkoerier duikt in de nieuwe cao en zet de zes grootste misverstanden op een rij.

6 misverstanden over de nieuwe cao
Een medewerker van Cafetaria Oostvoorne. Foto: Joep van der Pal.

Feitelijk is de nieuwe horeca-cao de omzetting van het Arbeidsvoorwaardenreglement (AVR) van Koninklijke Horeca Nederland (KHN). Die AVR was ook de inzet van de onderhandelingen tussen KHN en CNV. De oude cao is nooit op tafel geweest. De nieuwe cao gaat per 1 januari 2018 in en loopt t/m 31 december 2019. Werkgevers krijgen tot 1 april de tijd om de lonen aan te passen. Dat moet met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2018.

1. Iedereen valt toch al onder de AVR, de oude cao is in 2014 verlopen

Veel horecamedewerkers vallen nog onder de oude cao omdat werkgevers arbeidsovereenkomsten gebruiken waarin de horeca-cao van toepassing is verklaard. De cao blijft dan gelden als onderdeel van de arbeidsovereenkomst, totdat er een nieuwe cao is. Verder gaat een cao – ook eentje die verlopen is – boven een AVR. Tot slot is de AVR op basis van vrijwilligheid en passen veel KHN-leden hem op dit moment niet toe. Medewerkers die nu onder de oude cao vallen, krijgen vanaf 1 januari van doen met de afspraken onder de nieuwe cao.

2. De nieuwe cao geldt voor iedereen

KHN-voorzitter Robèr Willemsen zegt blij te zijn met een cao die voor iedereen geldt. Helaas voor Willemsen klopt dat niet. Een cao geldt pas voor iedereen in de branche als de minister hem algemeen verbindend heeft verklaard. De afspraken zijn dan van toepassing op de hele branche, los van de vraag of werkgevers en werknemers lid zijn van een organisatie die de cao heeft gesloten. Tenzij er een andere cao geldt, zoals voor leden van het Nederlands Horeca Gilde (NHG).

KHN verwacht dat de algemeen verbindend- verklaring in april 2018 een feit is. Maar dat is helemaal nog niet zeker. FNV Horeca, verreweg de grootste werknemersorganisatie, heeft grote problemen met de nieuwe cao. Die club zal zeker bezwaar maken tegen het algemeen verbindend verklaren. De minister kan dan oordelen dat de CNV niet representatief genoeg is om namens de FNV-leden een cao af te sluiten. Komt die algemeen verbindendverklaring er niet, dan geldt de cao alleen voor ondernemers die lid zijn van KHN. Die zijn straks verplicht de nieuwe cao toe te passen. Ongebonden werkgevers hoeven de cao niet toe te passen, tenzij ze in de arbeidsovereenkomsten hebben opgenomen dat de horeca-cao van toepassing is.

Conclusie: In de praktijk geldt de nieuwe cao vooralsnog alleen voor KHN-leden en hun werknemers. In de fastservice gaat het om zo’n 17.000 mensen van de 55.000 die in de branche werken.

3. Alle medewerkers gaan er in de loop van 2018 op vooruit

• Per 1 juli 2018 gaan de lonen voor iedereen met 1 procent omhoog. Dat geldt voor iedereen.

• In juli 2019 gebeurt dat nog een keer. In twee jaar krijgt iedereen er dus 2 procent bij. Volgens FNV Horeca is dat veel te weinig. ‘Een droge boterham,’ aldus Marco Bouma, sectorbestuurder van FNV Horeca. Bouma eiste een verhoging van 3,5 procent per jaar voor alle horecamedewerkers. Volgens Bouma is de koopkracht onder horecamedewerkers sinds 2000 met 9 procent gedaald.

• Per 1 januari 2018 gaat de loontabel met 1,3 procent omhoog, de inflatiecorrectie. Die verhoging geldt alleen voor lonen die precies op de loontabel zitten. Lonen die daarboven zitten, krijgen de inflatiecorrectie niet. Dat is zuur voor ervaren medewerkers en vakkrachten die meer verdienen dan de loontabel. Die roeren zich op de sociale media dan ook flink.

• Per 1 januari 2019 wordt de loontabel opnieuw voor de inflatie gecorrigeerd. Het percentage is eind 2018 bekend.

• De nieuwe cao volgt het arbeidsvoorwaardenreglement (AVR) van KHN. Die wordt gebruikt sinds de oude cao in april 2014 afliep. In de AVR werd de loontabel ieder jaar voor de inflatie gecorrigeerd. Per 1 januari 2015 met 1,1 procent, per 1 januari 2016 met 0,7 procent en per 1 januari 2017 met 0,4 procent. Die verhogingen – samen 2,2 procent – worden in de nieuwe cao overgenomen. Dat betekent dat werkgevers die de inflatiecorrecties de afgelopen 3 jaar niet hebben toegepast (de AVR is vrijwillig) dat alsnog moeten doen. Niet met terugwerkende kracht over de afgelopen jaren, maar vanaf 1 januari 2018. Heeft de werkgever de lonen al keurig volgens de AVR verhoogt, dan hoeft dat niet nog een keer.

• Leerlingen krijgen voortaan het hogere wettelijke minimum.

• Werknemers die nu ten onrechte het minimumloon ontvangen maar in een hogere functie horen, verhuizen naar een loontabel die hoort bij die functie.

• Iedereen die onder de 25 dagen zit, krijgt meer vakantiedagen. De wet stelt 20 wettelijke vakantiedagen per jaar verplicht en bij deze cao komen daar 5 bovenwettelijke vakantiedagen bij.

Conclusie: in de praktijk gaan alleen de laagst betaalden, jonge vakkrachten en nieuwe instromers, er behoorlijk op vooruit. Ervaren vakkrachten moeten genoegen nemen met 1 procent per jaar. Dat is minder dan de huidige inflatie van rond 1,4 procent. Feitelijk gaan die er dus op achteruit.

4: De nieuwe cao leidt tot meer onzekerheid

In de Wwz (Wet werk en zekerheid) is seizoensarbeid een kwelling geworden voor ondernemers. Vóór de invoering van de Wwz kon je na een werkonderbreking van drie maanden telkens weer een nieuwe keten van drie contracten voor bepaalde tijd starten. Tot in het oneindige. Nu moet de onderbreking ten minste zes maanden zijn om een nieuwe keten te kunnen starten. Is die periode korter dan zes maanden, dan heeft een werknemer na drie tijdelijke contracten (of na twee jaar) recht op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Voor de horeca – en veel andere branches met seizoensarbeid – is zes maanden te lang. Sinds 1 juli 2016 biedt de Wwz daarom de mogelijkheid om voor bepaalde functies de termijn van zes maanden terug te brengen naar drie.

Er kleeft één voorwaarde aan dit hele verhaal, en dat is dat de aanpassing in de cao geregeld moet worden. Zolang die nieuwe cao er niet is, kunnen KHN-leden geen gebruikmaken van verruiming van de ketenregeling. In de nieuwe horeca-cao is daarom een regeling opgenomen voor seizoenswerk. De afwijking mag worden toegepast bij contractverlenging en bij nieuwe contracten bij aanvang van een nieuw seizoen. Dus vanaf maart 2018 is bij een seizoenscontract voor een seizoenskracht telkens een contract voor bepaalde tijd mogelijk, zolang er tussen einde seizoen en nieuw seizoen maar meer dan drie maanden zit.

Conclusie: feitelijk keren we terug naar de situatie van voor de Wwz. Of de onzekerheid groter wordt dan nu al het geval is, zoals de FNV zegt, is de vraag. Sinds de gewraakte Wwz worden flexkrachten aan het eind van het seizoen massaal ontslagen of ze worden ondergebracht bij payrollers. De noodzaak om mensen te ontslaan, is nu minder.

5: Het verdwijnen van de overurentoeslag van 150 procent is een flinke achteruitgang

In de nieuwe cao worden overuren tijd voor tijd gecompenseerd, of ze worden uitgekeerd zonder toeslag als het niet mogelijk is om alle overuren in vrije tijd te compenseren. Ook in de oude cao was tijd voor tijd het uitgangspunt. De overwerkvergoeding van 150 procent kreeg je pas wanneer je op jaarbasis meer dan 2184 uur had gewerkt, ofwel 52 weken van 42 uur. Hoewel in de horeca lange dagen worden gemaakt, komen maar weinig mensen aan dat aantal.

Conclusie: het afschaffen van de overwerktoeslag is minder dramatisch dan het lijkt.

6: Geen feestdagencompensatie meer

Werknemers die nog geen vakkracht zijn, hebben in de nieuwe cao geen recht op feestdagencompensatie. Vakkrachten hebben meer rechten. Zij krijgen tijd voor tijd. Lukt het niet om de uren binnen zes maanden op te nemen, dan ontvangen ze 150 procent.

Conclusie: voor vakkrachten verandert er niets. Jongeren en studenten die parttime werken, zal het verdwijnen van de feestdagencompensatie weinig kunnen schelen. Die vinden het prima om dan te werken. Voor stagiairs en leerlingen ligt dat anders.

Conclusie: het afschaffen van de overwerktoeslag is minder dramatisch dan het lijkt.

Reageer op dit artikel